Annelies van Dooren
Annelies van Dooren
(Eindhoven, 1942-2008) komt tijdens haar
academietijd sterk onder de indruk van
de Vlaamse expressionisten Constant Permeke, Gust de Smet en Gustave van de
Woestyne, alsook van Pieter Bruegel,
Jeroen Bosch, Vincent van Gogh en
Hendrik Chabot. Haar ontmoeting en
blijvende, diepe vriendschap met de
Duitse dichteres en kunstenares Christel
Bergmann betekent voor Van Dooren een
geestelijke verrijking: poëzie,
filosofie en de Duitse expressionisten
Käthe Kollwitz en Paula Modersohn-Becker
vullen haar inspiratiebronnen aan.
Tot 1980 ontstaan aquarellen en
schilderijen waarbij de expressie
absoluut voorgaat aan een hapklare
esthetica. In 1980 scheurt Van Dooren
een groentenbuil kapot waarin een krop
sla heeft gezeten. Ze beschildert die,
alsook bakkersmeelzakken en katoenen
lappen. Later komt ze ook tot het maken
van objecten.
Het mededogen voor de mens dat ze
voorheen in de aquarellen en
schilderijen toonde, gaat nu over naar
de aarde, naar de basis van het leven:
de groei, de vertwijfeling, de dood en
de liefde. Haar thema verschuift naar
het numineuze, het goddelijke dat
tegelijk fascineert en doet beven.
Annelies van Dooren: ‘De aarde, de
dingen en de mens bestaan uit kosmische
stof en zijn ermee verbonden. Het
numineuze wordt vormgegeven in religie
en kunst, in riten en mythen, in beelden
dus. Ontkennen van het mysterie leidt
tot ontkennen van de waarde van het
bestaan, tot liefdeloosheid en
machtsmisbruik. De geest en de liefde
zijn de dragers van de inspiratie en dus
de ziel van de materie. Anders krijg je
lege esthetica, zinloze kunst. Kunst
dient een elementair doel, namelijk de
zingeving van het leven. Daarom ben ik
een expressionist.’
Bron: Museum de Wieger, Deurne |